Ras in focus: MAINE COON

Felikat magazine juni 1982

Felikat magazine, 31e jaargang, juni 1982, nr 3, blz. 6-8

Stephe Bruin
Ras in focus: MAINE COON(©S. Bruin; met dank voor de toestemming voor publicatie op deze site)

f1_1982 Dat de animo voor het raskattengebeuren vooral wat betreft het tentoonstellen iets lijkt af te nemen, is naar ik hoop een konjunktureel verschijnsel en niet een werkelijk gebrek aan belangstelling voor katten in het algemeen. Het kan zeker niet liggen aan het uitblijven van introduktie van nieuwe(re) rassen voor de liefhebber. De groep semi-langharen begint nu zo langzamerhand “vogels van zeer verschillende pluimage” onder de gelederen te tellen. Niet eens zo erg lang geleden kenden wij alleen de Heilige Birmaan als vertegenwoordiger van de groep halflangharen. Vóór het zelfs een feit was dat halflangharen een aparte groep vormden werd de Birmaan als een “gewone” langhaar beschouwd, weliswaar niet als een “echte” Pers, maar het was toch “een langhaar”. Inmiddels is dat kattengeschiedenis. Naast de Heilige Birmaan schaarden zich officieel de Turkse kat (de witte met de kastanjerode vlekken) en de Noorse Boskat en officieus: de Somali (noem die maar even een langhaarabessijn) en de Turkse Angora. De laatste is op nog maar weinig tentoonstellingen die werden georganiseerd onder auspiciën van de FIFe te zien geweest maar deze semilanghaar is er wel en de exemplaren die ik heb gezien vond ik erg aantrekkelijk.

De groep semi-langharen zal binnen niet al te lange tijd waarschijnlijk worden uitgebreid met een ander ras en wel dat wat luistert naar de intrigerende naam MAINE COON. Achter die naam staat een van oorsprong Noordamerikaans ras dat al zo’n 100 jaar als zodanig bekend is en sedert lange tijd officieel erkenning geniet in de Verenigde Staten van Noord-Amerika.

De eerste melding van een “Coon” dateert uit het jaar 1861 toen een zekere F.R. Pierce, woonachtig in de Amerikaanse staat Maine bekend maakte dat zijn kat “Captain Jenks of the Horse Marines”, een zwart-witte, een Maine Coon kat was. Em in 1903 wordt in het beroemde “Book of the Cat” van Frances Simpson een hoofdstuk aan de Maine Coon gewijd. Het heeft echter tot 1967 geduurd eer de eerste officiële rasstandaard een feit was die door drie overkpoepelende organisaties op kattengebied in de V.S. (CCA, ACFA, en NCFA) werd erkend. Een paar jaar later erkende ook de CFA (de Amerikaanse organisatie met welke de FIFe nauwe banden onderhoudt) de Maine Coon officieel.

Men neemt aan dat de Maine Coon oorspronkelijk afkomstig is uit de Amerikaanse staat Maine. Dat verklaart het eerste deel van de naam van het ras. Het tweede deel verwijst naar wat ooit werd geloofd, nl. het feit dat deze kat is ontstaan uit kruisingen tussen Amerikaanse huiskatten en wasbeertjes (“raccoons”). Als je bedenkt dat een tabby Maine Coon met zijn geringde pluimstaart heel vaag wel iets weg heeft van een wasbeertje lijkt dat nog zo’n gek idee niet. Maar zoiets is biologisch gezien volstrekt onmogelijk. Gelukkig is de naam niet verdrongen door de kennis die men inmiddels van biologie en erfelijkheid heeft.

Het is aan te nemen dat de Maine Coon zijn (semi)langhaarvacht heeft te danken aan de import van langhaarkatten op het Noordamerikaanse continent. Zulke katten zouden na reizen naar verre landen (bijvoorbeeld door zeelieden) naar Amerika kunnen zijn meegenomen. Eenmaal daar aanbeland zullen dergelijke katten zijn opgenomen in de reeds bestaande (kortharige) kattenpopulatie en zo werd de lange vacht een bestaande eigenschap.

De Maine Coon ontwikkelde zich tot een forsgebouwde kat die zich uitstekend kon redden in het harde klimaat van de staat Maine (zie kaartje). Het is een kat van substantie; geen frêle teenganger, maar een met “body” en “bone” in kombinatie met een lang lichaam. Hij heeft wel wat weg van de Noorse Boskat op het eerste gezicht, maar de ideale Noor en de ideale Coon verschillen toch van elkaar. Je zou ze dan ook naast elkaar op een tentoonstelling moeten kunnen zien.

In maart jl. was dat het geval in Berlijn, tijdens de jubileumshow van de 1.D.E.K.Z.V. Daar trad een dertigtal Maine Coons aan. Het was fascinerend om zo’n aantal bij elkaar te zien en één voor één op de keurtafel te hebben. Het comité de juges van de FIFe was namelijk bijeengekomen om de Coons te bekijken. Een van de aantrekkelijke kanten van dit ras is dat het in een groot aantal kleuren en kleurkombinaties erkend is (zie de CFA-standaard). Als je van type kat houdt is er altijd wel een kleur voor je bij.

Bij de Berlijnse Maine Coons was één ding heel opvallend: het karakter. Ik heb nog nooit zo’n serie gelijkmatig gehumeurde katten bij elkaar gezien. Er waren zeven volwassen katers aanwezig die elkaar heel vriendelijk zaten te bejegenen. Geen grauw of snauw werd gehoord; elke kat liet zich uiterst gewillig en vriendelijk pakken en bekijken. Of die aard een eigenschap is die in een bepaalde “lijn” van Maine Coons voorkomt (iveel van de in Berlijn aanwezige Coons waren meer of iets minder aan elkaar verwant) of de meeste Maine Coons siert weet ik niet. Het zou wel geweldig zijn.

f2_1982 Voor de liefhebbers volgt hier de standaard voor de Maine Coon van de Amerikaanse Cat Fanciers’ Association (CFA):

MAINE COON KAT
Puntenschaal
Kop (30) Lichaam (30)
Vorm 15 Vorm 15
Oren 10 Nek 5
Ogen 5 Poten en voeten 5
Staart 5
Vacht (20) Kleur (15)
Kleur van het lichaam 10
Konditie (5) Oogkleur 5

Kopvorm: Van gemiddelde breedte en lengte met een vierkante snuit. Oudere dekkaters moet een wat bredere kop worden toegestaan. Hoge jukbeenderen. De kin stevig en op dezelfde lijn met de neus en de bovenlip. Neus van gemiddelde lengte.
Oren: Groot, goed behaard, breed aan de basis, oplopend in een punt. Hoog op de kop en goed uit elkaar geplaatst.
Ogen: Groot, wijd uit elkaar geplaatst. Enigszins schuinstaand.
Nek: Van gemiddelde lengte.
Vorm van het lichaam: Gespierd, met een brede borst. Van gemiddelde afmeting tot groot. De poezen mogen iets kleiner zijn dan de katers. Het lichaam moet lang zijn met alle delen in proportie zodat een vierkant geheel ontstaat.
Poten en voeten: stevige poten, wijd uit elkaar staand, van gemiddelde lengte en in proportie met het lichaam. Voeten groot, rond en goed behaard. Aan de voeten vóór 5 tenen, vier achter.
Staart: Lang, breed aan de basis en geleidelijk smaller wordend. Lang golvend haar op de staart.
Vacht: Dicht en ruig; korter op de schouders en langer op de buik en de broek. Een kraag vóór gewenst. Textuur zijdeachtig en losjes vallend.
Konditie: Massief, stevig, gespierd; keurig verzorgd voorgebracht.
Fouten: Tengere beenderstruktuur. Korte vacht of een vacht die overal even lang is.
Diskwalificatie: Overbeet, scheelzien, knikstaart, onjuist aantal tenen, witte vlekjes, medaillons of witte brindle.

MAINE COON KLEUREN
Oogkleur: verschillende tinten groen, goud of koper; witte katten mogen ook blauwe ogen hebben of odd-eyed zijn. Er is geen samenhang tussen oogkleur en vachtkleur.
WIT: Zuiver schitterend wit. Neusspiegel: roze. Voetkussens: roze.
ZWART: Diep koolzwart van de haarwortels tot de haartop. Zonder elk zweem van rossig op de toppen of een smoke-achtige ondervacht. Neusspiegel: zwart. Voetkussens: zwart of bruin.
BLAUW: Gelijkmatige tint van de neus tot de punt van de staart. Doorgekleurd tot op de haarwortels. Neusspiegel: blauw. Voetkussens: blauw.
CREME: Gelijkmatige nuance van licht geelcrème zonder tekening. Doorgekleurd tot op de haarwortels. Neusspiegel: roze. Voetkussens: roze.
KLASSIEK TABBY PATROON: Tekening diep, duidelijk afstekend en breed. Poten gelijkmatig getekend met ringen passend bij de tekening op het lichaam. Staart gelijkmatig geringd. Een aantal ongebroken halsbanden op de bovenkant van de borst en de hals, hoe meer hoe beter. Op het voorhoofd een ingewikkelde letter “M”. Een ongebroken lijn vanuit de buitenste ooghoeken. Gewelfde strepen op de wangen. Vertikale strepen lopen over de schedel naar de tekening op de schouders die de vorm heeft van een vlinder met duidelijk afgetekende boven- en ondervleugels met in het midden stippen. De tekening op de rug bestaat uit een vertikale streep op de ruggegraat van de vlinder tot de staart met aan weerszijden een vertikale streep; deze drie strepen moeten goed van elkaar zijn afgescheiden door strepen van de basiskleur. Een grote effen vlek op elke zijde moet zijn omrand door een of meer ongebroken cirkels. Het patroon moet identiek zijn. Een dubbele vertikale rij vlekken op de borst en de buik.
MACKEREL TABBY PATROON: Tekening diep, duidelijk afstekend en alles smalle strepen. Poten gelijkmatig getekend met dunne ringen die passen bij de tekening op het lichaam. Staart geringd. Duidelijke halsbanden op de hals en borst, als veel kettingen. Kop getekend met een “M” op het voorhoofd. Ongebroken lijnen vanuit de buitenste ooghoeken. Strepen lopen van de kop, over de schedel naar de schouders. Strepen op de ruggegraat vormen samen een smal patroon op de rug. Smalle strepen op het lichaam.
SILVER TABBY: Basiskleur bleek, zuiver zilver. Tekening diepzwart. Witte randen bij de lippen en kin toegestaan. Neusspiegel: steenrood gewenst. Teenkussens: zwart gewenst.
RED TABBY: Basiskleur rood. Tekening warm dieprood. Witte randen bij lippen en kin toegestaan. Neusspiegel: steenrood gewenst. Teenkussens: steenrood gewenst.
BROWN TABBY: Basiskleur schitterend koperbruin. Tekening diepzwart. Achterpoten zwart van de voet tot de hiel. Witte randen bij lippen en kin toegestaan. Neusspiegel: steenrood gewenst. Teenkussens: zwart of bruin gewenst.
BLUE TABBY: Basiskleur bleek, blauwachtig ivoor. Tekening zeer diepblauw zodat een goed kontrast met de basiskleur ontstaat. Warmbeige zweem of sluier over het geheel. Witte randen bij lippen en kin toegestaan. Neusspiegel: oudroze gewenst. Teenkussens: dieproze gewenst.
CREAM TABBY: Basiskleur zeer bleek crème. Tekening lichtgeel of crème voldoende donkerder dan de basiskleur om een goed kontrast te waarborgen, maar binnen het skala van kleurverdunningen blijvend. Witte randen bij lippen en kin toegestaan. Neusspiegel: roze gewenst. Teenkussens: roze gewenst.
TABBIES MET WIT: De kleur zoals beschreven bij Tabby, met of zonder wit in het gezicht. Moet wit op de borst, buik en alle vier de poten hebben. Wit op 1/3 van het lichaam gewenst. De kleuren die zijn toegestaan zijn: silver, red, brown, blue of cream.
SCHILDPAD: Zwart met vlekken ongebrindled rood en crème. De vlekken duidelijk afgetekend en goed van elkaar gescheiden op zowel het lichaam als de uitstekende lichaamsdelen. Een rode of crème bles in het gezicht is gewenst.
SCHILDPAD MET WIT: Kleur als beschreven voor Schildpad met of zonder wit in het gezicht. Moet wit hebben op de borst, buik en alle vier de poten. Gewenst is wit op 1/3 van het lichaam.
CALICO: 2/3 gedeelte van het lichaam wit, met vlekken rood en zwart die ongebrindled zijn.
BLUE-CREAM: Blauw met effen crème vlekken. De vlekken goed duidelijk en goed van elkaar gescheiden zowel op het lichaam als op de uitstekende delen van het lichaam.
BI-COLOUR: Een kombinatie van een effen kleur en wit. De gekleurde delen overheersen. De witte gedeelten liggen op het gezicht, de borst, de buik, de poten en de voeten. De kleuren die zijn toegestaan zijn: rood, zwart, blauw of crème.

Kitten (6 maanden oud)

Tot zover de standaard van de CFA. Er zijn nog andere Amerikaanse standaarden. Die van de Crown Cat Fanciers Federation vermeldt nog dat ook Tortie-Tabby is erkend en Cameo Tabby. Crown tilt ook niet zo zwaar aan witte vlekken of vlekjes in de vacht. Bij Crown is de Maine Coon erkend in alle kleuren die ook zijn erkend bij de American Domestic Shorthair. Een blik in het lijstje met erkende kleuren van de laatste leert ons dat daar o.a. zijn erkend: chocolate en lilac, chinchilla, shaded silver, smoke (blauw en zwart), cameo en shaded tortie an shaded bluecream.

Bij de American Cat Association (het frontispiece van het standaardenboekje laat overigens een verrukkelijk Maine Coon kitten zien!) zijn alle kleuren erkend, met uitzondering van colourpoint (siamese aftekening). Tevens wordt weinig bezwaar gemaakt tegen witte vlekken of vlekjes.

De ACFA-standaard is nagenoeg gelijkluidend aan die van de CFA; is iets meer gedetailleerd op een enkel punt. Ook de puntenschaal is dusdanig geformuleerd dat een iets meer gedetailleerd beeld van de kat ontstaat. Omdat de Maine Coon nog niet zo bekend is bij ons wil ik hier in het kort even op ingaan.

Het totaal aantal punten voor de Kop: 15. Deze punten zijn als volgt onderverdeeld: vorm: 5 – vierkante snuit: 5 – profiel: 5. De oren krijgen in totaal 8 punten; 5 voor de vorm en de afmeting en 3 voor de plaatsing en de “tufts” (plpuimpje bovenop).
Voor de ogen zijn er in totaal 7 punten, nl. 4 voor de vorm en plaatsing en 3 voor de kleur. Bij de ogen staat nog vermeld dat zuiverheid in de betreffende oogkleur gewenst is. De kleur van de ogen is als de kleur van de ogen in de CFA-standaard. Het lichaam krijgt 19 punten, als volgt onderverdeeld: vorm: 10 – borst: 3 – nek: 3 en muskulatuur (bespiering): 3.
De poten en de voeten krijgen in totaal 4 punten. Vorm: 2 en beharing van de voeten: 2.
De staart krijgt 5 punten.
De vacht eist in totaal 20 punten op die over vachtlengte: 10 – textuur: 5 en dichtheid van de vacht: 5 zijn verdeeld.
Vachtkleur: 10 punten.
Konditie: 10 punten.

Diskwalificatie moet volgen als de Maine Coon een te korte of te driehoekige kop heeft, scheel ziet, een knikstaart heeft, een onjuist aantal tenen aan de voeten heeft (bij dit ras kwam vroeger veeltenigheid -polydactylie- voor) of een kort, massief lichaam heeft.

De erkende kleuren bij de ACFA zijn die die ook door de CFA worden erkend, alsmede cameo tabby (classic en mackerel); cameo tortoiseshell (shaded of shell tortie); torbie (tortie-tabby); chinchilla silver; shaded silver; blue smoke; black smoke; shell cameo; cameo smoke; parti-color; bi-color.

Het verschil tussen parti-color en bi-color: bij parti-color gaat het om: niet meer dan 2/3 van de kat is gekleurd; de rest is wit. Met “gekleurd” wordt hier bedoeld alle kleuren behalve zwart, blauw, rood of crème, dus bijv. silvertabby met wit of torbie met wit. Zwart met wit, blauw met wit, rood met wit en crème met wit (het wit niet minder dan 1/4 van het lichaamsoppervlak) wordt bi-color genoemd.

Ondanks de incidentele overlap met de Noorse Boskat als het gaat om minder typische exemplaren Coon versus Noor zou ik zeggen: laat de Maine Coon maar opkomen!